Logo Stiel
Industrieel Erfgoed in Leiden

STIEL

De Leidse Doe Het Zelf

DE LEIDSE DOE HET ZELF
Maatwerk in de stad

Generaties lang heeft er op de Lange Mare een houthandel gezeten. Sinds de zaak van Marinus Brienesse (1942), de Leidse Doe het Zelf, dit jaar ophield te bestaan, worden er op de centrale plek in Leiden geen planken meer gezaagd en geen spijkers meer verkocht. Brienesse kijkt met genoegen terug op zijn in Leiden en daarbuiten zeer bekende zaak.

Nog voor hij begonnen is over zijn zaak te vertellen, ligt de tafel al vol met oude foto’s en notariële akten van het bedrijf, waarvan de oudste uit 1918 is. De eerste houthandel in het pand was Kater en Wiethof, toen het hout nog over het water aangevoerd werd. Later werd het een vestiging van Jongeneel, tot Brienesse de zaak in 1970 begon, en het “De Leidse Doe Het Zelf” doopte.

Het runnen van een houthandel was voor Brienesse geen vreemde wereld: “Mijn opa had al een houtzaak, mijn vader later in Utrecht, en mijn broer heeft nog steeds een houtzaak. Na eerst bij een bank gewerkt te hebben ging ik later bij mijn vader in de zaak werken. Zodoende had ik al veel ervaring met hout, waardoor ik makkelijker voor mezelf kon beginnen.”

Die stap kwam min of meer onverwacht op het pad van Brienesse: “We deden veel zaken met Jongeneel, en hun vestiging in Leiden was eigenlijk te klein voor ze, en kwam leeg te staan. Men vroeg of het iets voor mij was, nou, dat was het dus wel.”

Het feit dat de zaak een paar jaar niet gedraaid had, leverde weinig problemen op. Brienesse: “Er heeft op die plek altijd een houthandel gezeten, klanten hebben het altijd kunnen vinden, dus na een paar maanden liep het al heel goed.”

De eerste twee jaar reisde Brienesse nog van de Betuwe, waar hij samen met zijn vrouw woonde, naar de zaak in Leiden, en toen de woning boven de zaak vrijkwam trok hij daarin. Op de oude foto’s is duidelijk te zien dat de zaak vroeger een stuk groter geweest is: waar grote opslagloodsen stonden, staan nu huizenblokken. Brienesse: “Op een dag in 1984 zag ik een foto in de krant staan van mijn zaak met de loodsen, met als onderschrift: De loodsen van Houthandel Jongeneel verdwijnen. Ik wist nergens van, was bovendien al lang eigenaar van het geheel en zat er al veertien jaar.

De volgende ochtend schrokken ze zich bij het Stadsbouwhuis rot, zij wisten ook niet dat ik de eigenaar was. Ze hebben me wel andere locaties aangeboden, maar mijn houthandel zou op een industrieterrein gedoemd zijn. Wat volgde was een aantal procedures en vervolgens een onteigening, waarbij er 437m2 van mijn zaak werd afgesnoept om huizen op te bouwen.”

Maatwerk
In zijn zaak verkocht Brienesse, die altijd alleen gewerkt heeft, niet alleen allerhande doe-het-zelfartikelen en verschillende soorten hout. Tussen de klanten door werd er van alles op maat gemaakt: meubels als kasten en bedden, complete interieurs en keukens. “Die keukens gingen in de jaren ’70 echt als zoete broodjes weg. Als mensen toen een oude keuken met granito aanrecht hadden waar bijvoorbeeld een scheur in zat, wilden ze er een nieuw blok in, en die had je toen al voor 300 gulden. Samen met Jongeneel kocht ik dan een vrachtwagen met keukens in Oost-Duitsland, en dat sloeg ik op in de loods.

Toen ik begon had je ook niet zoveel houthandels in Leiden. Noordman was er, de Verenigde Houthandel en de Houtwerf, en kleine doe-het-zelfzaken, maar geen grote bouwmarkten. Later kreeg je de Bouwvaria en een grote houthandel net om de hoek bij de Oude Singel, en nog later natuurlijk de bekende bouwmarkten. In Leiden waren er minstens tien kleine doe-het-zelfzaken, alleen al op de Mare drie, maar die zijn allemaal verdwenen. Klanten uit bijvoorbeeld Alphen aan de Rijn en Roelofarendsveen verloor ik op een gegeven moment wel, maar het is in de zaak altijd druk gebleven.”

Dat succes wijdt Brienesse deels aan de centrale ligging, maar vooral aan het maatwerk dat hij leverde, dat men niet kon krijgen in de grotere bouwmarkten. “Zo heb ik voor een Leidse professor die naar Den Haag verhuisde nog eens zijn hele inrichting gemaakt, met prachtige hoge boekenkasten die in de rondte liepen.”

De klanten die in de winkel kwamen waren doordeweeks voor het overgrote deel vrouwen. De klusjesmannen, aannemers en winkeliers kwamen voor of na hun werk, want de zaak was meestal van zeven tot zeven geopend. De enige ‘moeilijke’ klanten waren man en vrouw samen, die het zelfs over het kleinste schroefje vaak niet eens konden worden. Een wel heel ‘bijzondere’ klant herinnert Brienesse zich nog goed: “Een klant had een lading hout gekocht, en wilde die op zijn auto vervoeren. Omdat het dak bollend was, lag die lading natuurlijk helemaal niet stabiel. Toen heeft hij net zo lang op het dak van zijn auto gestampt tot dat recht was.”

Het dorp
De zaak was dan wel lang geopend, één regel heeft Brienesse nooit gebroken: van half één tot half twee het middageten, het rustpunt op de dag. “Ik noem het stukje stad hier vaak een dorp, en die lunch is dan de ‘dorpse’ traditie. Veel mensen wisten dat ik boven zat, en bleven bellen, maar daar trok ik me dan niets van aan.”

Kenmerk van dat dorpse karakter is de grote saamhorigheid tussen de winkeliers, waarvan er velen al lange tijd op de Mare zitten, maar er ook veel van weggegaan zijn. Brienesse: “De sigarenzaak is hier ongeveer tegelijk met mij gekomen, en winkels als Van Boheemen en Mol en de Groot zitten er ook al tijden. Op de plek van de supermarkt zat Van Duuren, ernaast de televisiewinkel Flim en waar nu het restaurant zit zat een handel in oliën en vetten. Verder had je nog een slijterij, een groenteboer, een leerlooierij, een tassenzaak en een zaak met potten en pannen, een gezellige bedoeling dus.”

Het einde van zijn zaak kwam eigenlijk twee jaar eerder dan gepland; toen het personeel van de firma Hartwijk aan de Nieuwe Beestenmarkt van zijn voorgenomen stoppen hoorde, wilden ze zijn ijzerwaren, en later ook zijn machines en hout graag overnemen. “Klanten van me hebben met tranen in de ogen afscheid genomen, ze waren zo gewend geraakt aan mijn doe-het-zelfzaak midden in de stad.”

Wie echter denkt dat Brienesse dan maar eerder met pensioen is gegaan, komt bedrogen uit: een vakman kan zijn werk moeilijk staken, en Brienesse werkt nu een paar dagen in de week bij Hartwijk, waar hij met zijn vertrouwde machines een ‘nieuwe houtwinkel is begonnen’ en mensen het vak leert dat hij zelf zijn al zijn hele leven met veel plezier beoefent.

Michiel Rohlof, september 2005

© Stichting Industrieel Erfgoed Leiden