Logo Stiel
Industrieel Erfgoed in Leiden

STIEL

Leids Slachthuiscomplex behouden

LEIDS SLACHTHUISCOMPLEX BEHOUDEN

De tijd dat rokende schoorstenen en stampende machines het beeld van Leiden als industriestad bepaalden, ligt nog niet zover achter ons. Veel oude fabrieken en bedrijfspanden zijn in hoog tempo gesloopt. Onlangs was dat eveneens het geval met een deel van het Leidse slachthuiscomplex. Daarmee is ook het behoud van de nog resterende, waardevolle gebouwen, weer actueel, constateert Wibo Burgers in zijn rubriek Monument.

Abattoirs zijn al bekend uit de oudheid. Het slagers-ambacht beleefde, net als de stad, in ons land zijn periode van opbloei in de vroege middeleeuwen. De ‘huisslacht’ bleef op het platteland eeuwenlang zijn oude plaats handhaven. De stedelijke autoriteiten concentreerden echter, vanwege de hygiëne en het toezicht op de vlees-accijnzen, de verkoop van vlees op aangewezen plaatsen.

De been- of vleeshouwers(runderslagers), de varkensslagers en de spekverkopers waren in afzonderlijke ambachts-broederschappen, later gilden, georganiseerd. De paardenslager nam lange tijd een aparte positie in. Het onderscheid tussen vleeshouwers en spekslagers verdween met de komst van de vleesdistributie tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Vleeshal
In Leiden stond de eerste vleeshal aan de noordoostelijke kant van de Breestraat, tussen Diefsteeg en Pieterkerkchoorsteeg. In 1415 werd de vleeshal, een gemeentelijke dienst, verplaatst naar het ‘Groote stede huys’, het stadhuis. In 1597 werd door Lieven de Key de gehele gevel aan de Breestraat vernieuwd. De grote vleeshal in het stadhuis aan de Breestraat( het rechterdeel van het huidige stadhuis) werd aangewezen als verkoopplaats voor vlees. Na de grote noordelijke en oostelijke stadsuitbreidingen kon vanaf 1670 ook geslacht worden in de kleine vleeshal die aan het Havenplein heeft gestaan. Deze hal is in 1857 afgebroken. De afval-delen van de geslachte dieren, waaronder de ingewanden, werden verkocht in de penshal, gelegen aan de overkant van de Breestraat. Dat bleef zo tot 1853, toen de gemeente verkoop van vlees in particuliere slagerswinkels toestond. Wel moesten er bepaalde regels betreffende afmetingen, lichtvoorziening en luchtverversing in acht worden genomen.

De vleeskeuring, opnieuw geregeld in 1812, bleef gehandhaafd. De afschaffing in 1865 van de gemeentelijke opcenten op de accijnzen èn het liberale tij leidden in 1867 tot opheffing van de gemeentelijke vleeskeuring. De ‘dienst der vee- en vleeschkeuring’ was van 1893 tot 1903 gevestigd in de vroegere accijnshuisjes( waar ook de inning van de vleesaccijnzen plaatsvond) naast de Hooglandse kerk.

De ontwikkelingen in de bacteriologische wetenschap en diergeneeskunde maakten eind 19de eeuw een betere controle van vlees mogelijk: de opkomst van de wetenschappelijk gefundeerde vleeskeuring. In Leiden ging die gepaard met steeds meer klachten over de hygiënische omstandigheden. Een rapportage, die in 1894 verscheen, signaleerde in Leiden veel misstanden en uitwassen op dit gebied. De gemeente nam maatregelen, die in 1922 landelijk uitmondden in de Vleeskeuringswet. Het vlees, afkomstig uit gemeenten rond Leiden kon toen niet langer getroffen worden door een invoerverbod. Leiden, Wassenaar, Voorschoten, Zoeterwoude, Leiderdorp, Oegstgeest, Warmond en Alkemade vormden toen samen de vleeskeuringskring Leiden. Na transport binnen deze gemeenten hoefde vlees niet opnieuw gekeurd te worden.

Onderzoek
Dirk Aart de Jong, sinds 1 oktober 1893 inspecteur van de vee- en vleeskeuring, die B. en W. van Leiden adviseerde, ijverde vanaf zijn indiensttreding bij de gemeente Leiden voor de oprichting van een gemeentelijk abattoir. In 1895 kreeg hij van de gemeenteraad opdracht de mogelijkheden van de bouw van een openbaar slachthuis in Leiden te onderzoeken. Twee jaar later bezocht hij met gemeente-architect H. Paul elf steden in Duitsland.

Daar bestonden al slachthuizen sinds de middeleeuwen. Vanaf de periode van de verlichting was er veel aandacht voor de hygiëne in de menselijke samenleving. Na de Franse revolutie werden slachthuizen in grote gemeenten in het keizerrijk dwingend voorgeschreven. Datzelfde gebeurde na 1868 ook in Pruissen.

In zijn reisverslag toonde De Jong zich bijzonder onder de indruk van de moderne Duitse slachthuizen. Hij beschouwde ze als voorbeelden voor het toekomstige Leidse abattoir. Als plaats voor het slachthuis dacht hij aan een deel van het toenmalige exercitieterrein aan de Rijnsburgersingel, tegenover molen De Valk. Maar de gemeenteraad vond het schuttersveld als ‘toegangspoort tot de stad’ (vanuit het station dan) meer geschikt voor woningbouw. Besloten werd het slachthuis aan de Maresingel te bouwen, tegenover de gasfabriek.De nabijheid van de gasfabriek werd niet schadelijk geacht voor de kwaliteit van het vlees.

Opening
De officiële opening van het slachthuis vond plaats op 27 april 1903, op 1 mei was de feitelijke ingebruikneming. De stoom-koelinrichting had een overcapaciteit, die werd benut voor een ijsfabriek; deze leverde neveninkomsten op door verkoop van ijs aan slagers voor hun koelcellen. Het buffet van de kantine werd voor 200 gulden per jaar verpacht aan de afdeling Leiden van de Volksbond, vereniging tegen drankmisbruik.

De Jong werd de eerste directeur van het slachthuis. Diens wetenschappelijke kwaliteiten waren onbetwist, maar zijn bedrijfsvoering kreeg zware kritiek te verduren. Vanwege de toenemende verliezen werd een onderzoek ingesteld door een raadscommissie. Het rapport van deze commissie was in 1910 voor De Jong aanleiding zijn ontslag in te dienen. Vanaf 1908 was hij overigens al aangesteld als buitengewoon hoogleraar in de ‘vergelijkende ziektekunde’ aan de Leidse universiteit. De tweede man, adjunct-directeur Willem Stuurman, werd zijn opvolger. Diens zuinigheid en strikte controle haalden het slachthuis in 1921 uit de verliezen.

In de jaren dertig werd het hoofdgebouw verbouwd, er kwam een nieuwe varkensslachthal. De stoom-koelinrichting werd in 1937 vervangen door een Raschig luchtkoeler – de oude stoomketels bleven overigens tot 1953 in gebruik. Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef het slachthuis uit de verliezen. In 1942 werd Stuurman opgevolgd door Keimpe Reitsma. Na de oorlog werd de ijsfabriek van het slachthuis gesloten. Doordat de slagers zelf koelinstallaties aanschaften werd de fabriek van het slachthuis overbodig.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de verliezen terug. In 1978 moest het toch al slecht renderende bedrijf een zware tegenslag verwerken: eenmaal gekeurd vlees dat tussen vleeskeuringskringen getransporteerd werd, behoefde niet meer herkeurd te worden. Daarmee verviel een belangrijke bron van inkomsten. Op 1 juli 1980 viel het doek voor het openbaar slachthuis in Leiden. Nog enige tijd werd het gebruikt door particuliere slachters, die op den duur ook verdwenen omdat het complex te groot bleek.

Bouw
Het complex van het openbaar slachthuis is ontworpen onder verantwoordelijkheid van gemeente-architect H.Paul. Later is zijn ontwerp enigszins aangepast door de directeur Gemeentewerken, G.H. de Vries Broekman. De bouw van het complex werd in 1901 aanbesteed. De bouw vond plaats in 1902. Vanaf 1920 tot in de jaren vijftig is er een lange reeks van verbouwingen geweest.

Voor deze locatie is het wijkontwikkelingsplan Leiden Noord tot stand gekomen. In dit plan is ook vastgesteld dat voor een aantal waardevolle gebouwen – de directeurswoning aan de Maresingel,,het in dezelfde stijl opgetrokken administratiegebouw aan de Pasteurstraat, het kantinegebouw, de noodslachthal en het vroegere stalgebouw restauratieplannen worden uitgewerkt en nieuwe bestemmingen gezocht.

Al in 1992 heeft de taakgroep selectie van Stiel een aanvraag ingediend voor bescherming van de meest waardevolle delen van het slachthuiscomplex: de hierboven aangegeven gebouwen, die ook een nadrukkelijke samenhang in bouwstijl vertonen, met hoofdtoegang en terrein-afscheidingshek Deze panden zouden geïntegreerd moeten worden in de nieuwe bebouwing om zo de herinnering aan het gemeentelijke abattoir levend te houden. Twee jaar later oordeelde de Leidse monumentencommissie positief over dit voorstel van Stiel. De eindbeslissing van B. en W. –al dan niet plaatsing op de gemeentelijke monumentenlijst - is tot op heden uitgebleven, ook al omdat lange tijd niet bekend was wat op deze plek zou moeten komen.

Vandaar dat Stiel zich onlangs tot B. en W. heeft gericht met het verzoek om de resterende panden van het complex op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen . Daarmee wordt een blijvende herinnering aan een belangrijke gemeenschapsvoorziening uit het verleden gewaarborgd.

december 2001

© Stichting Industrieel Erfgoed Leiden