Logo Stiel
Industrieel Erfgoed in Leiden

STIEL

Slijperij Vlijm: ruim 80 jaar bekend in Leiden

SLIJPERIJ VLIJM: RUIM 80 JAAR EEN BEKENDE NAAM IN LEIDEN

De geschiedenis van Slijperij Vlijm gaat terug tot 1923, toen Johannes Paes sr akte liet opmaken van de slijperij, en de naam is sindsdien altijd verbonden geweest aan het bedrijf in Leiden. Met enige trots houdt Henk Pauw (1947) een mes in handen met de initialen van één van zijn voorgangers, Herman Pauls, uit de jaren ’20 van de vorige eeuw. “Als ik hem oppoets, dan komen de vlammen er weer in. Een klant van me vond het bij zijn oma op zolder en ik mocht er één hebben. Van een andere voorganger, David Teske, heb ik ook nog wel eens messen geslepen, dat waren eigenlijk hele slechte messen door de materiaalschaarste in de oorlog, maar wel met zijn initialen erin. Wij hebben nu ook messen met onze naam erin, dus veel is er eigenlijk niet veranderd!”

Toen Pauw in 1972 de slijperij overnam, had hij geen slijperservaring, daarom was het in het begin nog ‘aanpoten’. Pauw: “Ik had toen het geluk dat Koos, het hulpje van David Teske, nog 1 ½ jaar is gebleven om mij wegwijs te helpen, want van slijpen wist ik in het begin nog helemaal niets. De slijperij heeft in die jaren veel klanten verloren door toedoen van mijn voorgangers, die de slijperij drie maanden gerund hebben. Teske en zijn compagnon zijn namelijk in de 30 jaar die ze gedraaid hebben nooit gesloten geweest, maar wat doen zijn opvolgers, die hebben eerst drie weken de deur dichtgedaan om op vakantie te gaan. Dat heeft verschrikkelijk veel klanten gekost, dat kun je je wel voorstellen!” In feite heeft Pauw in vele opzichten de zaak weer op moeten bouwen. “In de begintijd deed ik machinebankwerk op de Uiterstegracht, en zat mijn vrouw in de Slijperij aan de Korevaarstraat, waar ze in een halve dag drie of vier gulden verdiende. Toen waren we nog niet getrouwd en woonde ik nog thuis, dus dat ging nog wel. Teske, die nu tegen de 90 jaar oud is, kwam later nog wel eens langs, om te kijken hoe het productieproces in al die jaren veranderd is. Ze werkten vroeger ook op een andere manier: als ze honderd gulden verdienden probeerden ze het voor het grootste gedeelte in eigen zak te houden, terwijl wij altijd proberen nieuwe machines aan te schaffen.”

60 jaar getrouwd
Als hedendaagse vertaling van het woord familiebedrijf zou Slijperij Vlijm direct in aanmerking komen. Pauw runt het bedrijf met zijn vrouw Anneke en zijn zoon Ruben, en ook zijn vader heeft jarenlang bij het bedrijf in loondienst gewerkt. “Mijn zoon heeft er, in tegenstelling tot mijn dochter, gelukkig van jongs af aan altijd interesse in gehad, dat is een echte handwerker. Met de familieband is het altijd goed gegaan, ook al zie je elkaar 24 uur per dag. Ik zeg altijd maar: op papier ben ik dan ruim 30 jaar getrouwd, maar in wezen wel 60!

“Wij slijpen de meest uiteenlopende voorwerpen, van aardappelschilmesje tot messen van drie meter, zoals het mes van de ijsbaan. Ongeveer 90 procent van onze klanten zijn bedrijven als drukkerijen, aannemers en de universiteit, dat zorgt voor continuïteit in de orders. Vroeger was het veel meer handwerk, en nu gaat het meeste met de machines, waarvan ik er voor een enorm kapitaal aan heb staan. Wij nemen voor een aantal slijperijen in Nederland het handwerk over, die hebben alleen nog machines staan.” Een bijzondere order die Pauw zich nog goed herinnert, is de bestelling van natuurmuseum Naturalis van messen om walvissen mee te snijden. “Ze hadden alleen een paar oude roestige messen van de oude walvisvaarder ‘Willem Barentz’, en ik maakte een paar nieuwe roestvrijstalen messen, met een enorm lange stok eraan. Daar ben ik door de vele arbeidsuren eigenlijk niet veel rijker van geworden, maar zoiets is meer een prestigeobject.”

Extreem gevaarlijk is het werk in de slijperij volgens Pauw niet, al is hij wel altijd voorzichtig. “Je hebt maar tien vingers, en in een minuut kan je er zo een paar verspelen. Als ik van de MTS jongens op stage krijg, mogen ze de eerste dag ook alleen kijken. De chemicaliën waar de zagen in schoongemaakt worden zijn erg bijtend, daar heb je handschoenen en een bril voor nodig. Mijn vader was echter nogal eigenwijs, en deed dat met zijn blote handen. Na een aantal weken werden zijn nagels bruin en die vielen er bijna af, toen is hij daar maar mee gestopt!”

Prototype
De machines in zijn slijperij haalt Pauw in Duitsland, waar hij elke twee jaar naar een beurs in Hannover gaat. “Je hebt hier de Jaarbeurs, maar daar heb je een terrein van wel 30 jaarbeurzen, en ga je met de bus van hal naar hal. Ik heb daar nog eens een machine gekocht voor 80.000 gulden, dat was het nieuwste van het nieuwste. De levertijd zou 6 weken bedragen, zo werd me toen verteld, maar het werd uiteindelijk 9 maanden, want het was een prototype, de machine werd nog niet gemaakt! Ik heb hem toen wel voor de oude prijs gekregen, dat scheelde me 10.000 gulden. Het voordeel van die Duitse machines is dat er bijna nooit wat aan kapot gaat. Als je er zuinig op bent, scheelt het een hoop, want een monteur moet altijd uit Duitsland komen en daar gaan al gauw een paar dagen overheen. Twee keer per jaar maken we alles helemaal schoon, dan zijn we drie dagen dicht. Mijn zoon kruipt dan helemaal in de machines om alles schoon te maken. Dat slijpsel is zo verschrikkelijk fijn, je kan je voorstellen wat een hels karwei dat is!”

Als er op de televisie programma’s zijn geweest over oplichters, merkt Pauw dat vaak ook aan zijn klanten. “Dan vragen ze hier in de zaak ook ineens naar een bonnetje. Het komt echter voor dat ze dan bij het ophalen hun bonnetje niet meer hebben, maar dan ben ik ook standvastig hoor!” Er bestaan veel vragen en onduidelijkheden bij het slijpproces, waar Pauw tot slot graag de antwoorden op geeft. “Mensen hebben soms hele dure verzilverde messen, die op de vloer vallen en meteen breken. Dat komt door de trilling, net als bij een glas, en dat heb je met goedkope, niet uit één stuk gesmede messen niet. Bij mooie messen van de juwelier houd ik dan ook altijd mijn hart vast. Mensen komen ook vaak met oude roestvrijstalen messen met bruine putjes, en vragen zich af waar de roest vandaan komt. Dat is insluiting, daar is bij het smeden een vuiltje op de smeedhamer geweest en dat zit dan ook altijd vrij diep, daar kan je niets aan doen. En ja, het is waar dat een vaatwasser slecht kan zijn voor messen. Dat komt door staaldeeltjes van pannen die op de messen aanslaan, je kunt dus het beste je messen gelijk afdrogen na het wassen!”

Michiel Rohlof, december 2004 (met dank aan Niek Bavelaar)

© Stichting Industrieel Erfgoed Leiden