Logo Stiel
Industrieel Erfgoed in Leiden

STIEL

Erfgoed van de Bollenstreek

ERFGOED VAN DE BOLLENSTREEK

De Bollenstreek krijgt steeds meer oog voor het eigen erfgoed: de bollenschuur. Tot voor enkele jaren keek niemand op van deze bouwwerken in het open landschap. Maar daarin is verandering gekomen. De bollenschuur is cultureel erfgoed geworden: er zijn boeken over verschenen en congressen aan herbestemming van deze schuren gewijd.

De bloembol kwam al in de tweede helft van de zestiende ons land binnen vanuit Azië. Pas na de helft van de negentiende eeuw ontwikkelde zich de bloembollencultuur in het gebied tussen Haarlem en Leiden. De omstandigheden waren hier gunstig: de kalkrijke zandgrond bleek zeer geschikt voor deze teelt, de duinen vormden een natuurlijke bescherming tegen de wind en de regeling van de waterstand was verzekerd door molens en – later – gemalen.

Het teeltproces verloopt in grote lijnen als volgt. In het najaar worden de bollen geplant. Tijdens de winter worden de vaak beschut gelegen velden met stro bedekt om de bollen tegen de kou te beschermen. In de lente gaan de bloemen bloeien, waarna ze worden ‘gekopt’: de bloem wordt bovenaan de steel afgesneden. Vervolgens sterven de planten af op het veld waardoor de bol in plaats van de bloem gelegenheid krijgt alle energie op te nemen en zich te vermeerderen. In de zomer worden de bollen gerooid en in grote manden verzameld. Daarna begint het pellen, waarbij de nieuwe bolletjes van de oorspronkelijke bol worden gehaald. De nieuwe bolletjes zijn het plantgoed voor het volgende jaar, de oorspronkelijke bollen worden verkocht, na in de bollenschuren te zijn gesorteerd en gedroogd.

De bollenschuren hadden in deze teelt een belangrijke functie. Helemaal in het begin, in de tweede helft van de negentiende eeuw, week de bollenschuur nauwelijks af van de landbouwschuur. Het was een opslag- en droogplaats. De kwekers wisten al spoedig dat vocht de grote vijand was. Vandaar dat de bollenschuren veel ramen en deuren kregen om een goede ventilatie mogelijk te maken. In de bollenschuren bevonden zich stellingen, die vaak een integrerend deel van de constructie uitmaakten. Aanvankelijk waren de bollenschuren eenvoudige bouwsels van hout, later werd baksteen gebruikt. Bollenschuren werden soms voorzien van een zadel- of een mansardedak. Over de ontwerpers van deze schuren is weinig bekend. Een van hen was Leen Tol uit Lisse.

Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw kregen de bollenschuren een ander aanzien. Dat was het gevolg van het baanbrekende werk van de kweker Nicolaas Dames (1862-1920), die experimenteerde met mechanische klimaatbeheersing. Hij kon in 1910 pronken met een bloeiende hyacint tijdens de kerstdagen dankzij een warmtebehandeling van de bollen. Dat was nog niet eerder vertoond. Deze methode vond overal ingang. De bollenschuren, die door deze nieuwe vinding met minder ramen en deuren toe konden, werden uitgerust met zogenaamde klimaatcellen, waar de bollen werden ‘geprepareerd’.

Gouden tijd
De bloembollenkwekers beleefden een gouden tijd in de jaren twintig toen er superwinsten werden gemaakt. Dat het de kwekers goed ging valt ook af te lezen aan de in deze periode gebouwde kwekerswoningen en bijbehorende bollenschuren. Er kwam vaak een architect aan te pas en ook was er geld voor decoratieve elementen. Als gevolg van nieuwe vindingen werd de bollenschuur steeds minder nodig. Vandaar dan ook dat er tegenwoordig honderden per jaar verdwijnen.

Bij een inventarisatie in het kader van het Monumenten Inventarisatie Plan (MIP) aan het eind van de jaren tachtig werd duidelijk dat zeker honderd bollenschuren het behouden waard zijn. Er kwamen mensen in actie voor het behoud van de bollenschuren, als eerste architect Jos Warmenhoven uit Voorhout. Nadien nam de stichting Museum voor de bollenstreek De Zwarte Tulp in Lisse de activiteit voor het behoud van bollenschuren over.

Voorkomen moet worden dat de bollenschuur over vijftig jaar helemaal is verdwenen, zo was het algemene oordeel in de streek. De bollenschuur biedt zeker mogelijkheden voor herbestemming, aldus architect Ed Schulte. Zo zijn er schuren omgebouwd tot woningen, winkels en kantoren. Ook kwam er een handleiding voor een contract over herbestemming van een bollenschuur tussen eigenaar en gemeente. En zo ziet het er naar uit dat de Bollenstreek het karakteristieke en waardevaste deel van het eigen erfgoed voor de toekomst zal kunnen behouden.

1998

© Stichting Industrieel Erfgoed Leiden