Logo Stiel
Industrieel Erfgoed in Leiden

STIEL

Eeuwfeest laatste Leidsche bollenschuur in gevaar

EEUWFEEST LAATSTE LEIDSE BOLLENSCHUUR LOOPT GEVAAR
Schets van een familiebedrijf aan de Hoge Mors

Het terrein aan de Hoge Morsweg nummer 111 in Leiden is volgens gemeentelijke plannen bestemd voor woningbouw. Hierbij is over het hoofd gezien dat op dit stuk grond van de voormalige Kwekerij van de Gebroeders Van Egmond zich een bollenschuur bevindt met monumentale waarde. De grote vraag is of dit pand alsnog gered en herbestemd kan worden.

Aan de Hoge Morsweg 111 staat verscholen achter een oude tuinderswoning een merkwaardig pand. Uit een schilderachtig bosje rijst een witgekalkte bloembollenschuur met vakwerk en vrolijk geknikte bovenverdieping met rood pannendak. Het betreft hier een in Duin- en Bollenstreek vrijwel uniek exemplaar. Op deze locatie hebben ten minste zeven generaties van het geslacht Van Egmond hun land- en tuinbouwbedrijf uitgeoefend. De buurt Hoge Mors, onderdeel van de wijk Morskwartier, was vóór de annexatie van 1965 grondgebied van Oegstgeest. De historische waarde van het terrein en opstallen lijkt duidelijk aanwezig. Bovendien zijn de oude directiewoningen aan de overzijde nog puntgaaf aanwezig. De vraag is of beschermwaardigheid alsnog in een monumentenstatus kan worden geformaliseerd.

Het oordeel van de deskundigen
In 2002 brengt de monumentcommissie van de gemeente Leiden eigener beweging een positief advies uit over het object Hoge Morsweg 111. We ontlenen enkele zinsneden aan het samenvattende advies. De Hoge Morsweg vormt een element van de noordelijke Rijndijk. Volgens de eigenaar zou de schuur, die zich bevindt op 25 meter van de rijweg, zijn gebouwd tussen 1932 en 1935. Het betreft een rechthoekig gebouw met één bouwlaag, met zogenaamd mansardedak. De wanden zijn opgebouwd uit vakwerk bestaande uit een eenvoudig groen geschilderd houten raamwerk, vermoedelijk gevuld met gepleisterde drijfsteen. Op het dak liggen rode betonpannen. (Volgt een gedetailleerde beschrijving van de gevels met deuren en kozijnen en de diverse veranderingen daarin.) De waardering luidt letterlijk: De bollenschuur aan de Hoge Morsweg is een voor Leiden uniek overblijfsel van de agrarische bedrijven buiten de Singels. Typologisch betreft het een zeldzame schuur vanwege de combinatie van vakwerkbouw en een mansardedak. In de Duin- en bollenstreek is dit het enig overgebleven exemplaar van dit type. Het gevarieerde gevelbeeld geeft een goed inzicht in de historische gelaagdheid van het gebruik van de schuur.

Niet alleen steunde de monumentenadviescommissie op het voorbereidend werk van het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente, dat de nodige opmetingen, tekeningen en foto’s had opgeleverd, de positieve beoordeling stoelde onder meer op een brief in juni 2002 van de voorzitter van het Project Herbestemming Oude Bollenschuren. Deze constateerde dat de bollenschuur zeer waardevol is en thuishoort op de gemeentelijke monumentenlijst. In de eerste plaats zijn er weinig bollenschuren in (de buurt van) Leiden gebouwd, waarvan er nog minder zijn overgebleven. In de tweede plaats is de schuur ook typologisch zeldzaam door de combinatie van het geknikte dak en de op houtskeletbouw lijkende bouwwijze. Vergelijkbare schuren komen in de eigenlijke Duin- en Bollenstreek niet meer voor; er staan er nog slechts twee in Heemstede.

Eerder al had het Monumenten Inventarisatie Project Zuid-Holland in 1989 gewezen op de bollen- of tuindersschuur aan de Hoge Morsweg. Hier wordt gesproken van de periode 1875-1900 om het bouwjaar aan te duiden. De summiere beschrijving vermeldt type bollenschuur van vóór 1900 met houten vakwerk, houten goten op klossen, houten hijsbalk, dit alles in 1-laags volume onder mansardedak. Als het gaat om de bebouwing en bedrijvigheid van de Hoge Morsweg, is de schuur zonder meer beeldondersteunend. Kortom, wat zou de gemeente Leiden beletten de monumentenstatus toe te kennen?

De oorspronkelijke bouwvergunning
Op zoek naar gegevens die bovenstaande beelden van de bollenschuur konden bevestigen, vonden wij in het gemeente-archief van Oegstgeest een handgeschreven brief aan B & W d.d. 12 april 1906 met fraai voorgedrukt briefhoofd van Jan van der Voet, Bouwkundige aan de Morschweg bij Leiden, Timmerman & Metselaar, Taxateur van Onroerende goederen, Belast zich met het maken van tekeningen & bestekken. In de eerste persoon meervoud wordt beleefd verzocht ons de noodige vergunningen te willen geven tot het afbreken van twee oude schuren en het bouwen van een nieuwe bollenschuur van drijfsteen en een nieuw houten gereedschapsschuurtje aan den Morschweg te Oegstgeest, ondertekend door Uwedelachtbare Dienaren de Gebroeders van Egmond. Het gaat hier om de broers Teunis en Willem, die we later nog tegen zullen komen. Het dossier bevat een gedetailleerde blauwdruk en een situatieschets waaruit de ligging van de af te breken schuren, een bloemenkast en het bestaande woonhuis blijkt. De schets is ondertekend door burgemeester Van Griethuyzen en Wethouder Juffermans. In hetzelfde dossier zit een brief gedateerd op de dag van binnenkomst van dezelfde Van der Voet, hier ondertekenend als gemeenteopzichter, met positief advies aan B & W.

Van der Voet, die het ontwerp van een groot deel van de nieuwbouw in de Mors voor zijn rekening nam, heeft rond 1900 tientallen jaren deze twee petten van aanvrager namens opdrachtgevers en van officieel gemeentelijk adviseur kunnen dragen, zonder dat iemand daar een probleem van maakte.

Wat betreft het niet-alledaagse hoofdmateriaal van de schuur: drijfsteen is lichte kunststeen, die is gemaakt van puimsteengruis en hydraulische kalk; puimsteen is lichte poreuze gestolde lava van een sponsachtig voorkomen; en hydraulische kalk is mortelspecie van gebluste kalk, die onder water hard wordt.

We mogen concluderen dat de bollenschuur volgend jaar een eeuw geleden werd neergezet. Inderdaad is uit de recente literatuur over bollenschuren bekend dat rond 1880 na het oudste type bollenschuur (de houten schuren) de eerste speciale stenen schuur verschijnt, met mansarde- of zadeldak. Meestal met twee bouwlagen eronder, in ons geval slechts één. De gebroken kap maakte het mogelijk de stellingen voor de bollen in de lengterichting in de kapruimte te plaatsen. Na 1900 werd dit type alleen nog door de kleine telers gebouwd. Voorbeelden van schuren met vakwerk plus witgepleisterde platen van drijfsteen kennen we alleen van de schuur aan de Glippervaart van de firma Braam en die aan de Manpadslaan van de firma Van Meeuwen, beide in Heemstede. In beide gevallen gaat het echter om een opbouw van twee verdiepingen.

Het terrein wegbestemd
Helaas heeft het Leidse college van B en W in 2003 het positief advies van de monumentencommissie na summiere overweging naast zich neergelegd. Men constateerde dat de bollenschuur volgens eerder gemaakte afspraken met de eigenaar van het gebied en conform het uitgewerkte bestemmingsplan staat op terrein waarop nieuwbouwwoningen zijn voorzien. Aanwijzing tot monument zou dan onuitvoerbaar zijn en de zogeheten toekomstige herontwikkeling in de weg staan. De procedure werd niet volledig afgerond. De gemeente Leiden sloot al in 1999 een exploitatieovereenkomst met projectontwikkelaar Alsumex voor de ontwikkeling van een woningbouwplan op een deel van het voormalige kwekerijterrein aan de Hoge Morsweg. Na een inspraakprocedure werd deze overeenkomst in 2001 gewijzigd.

Hoe was het zover gekomen? Daarvoor moeten we terug naar 1988, toen in de Nota Bouwen in bestaande Leidse wijken de locatie Kwekerij Hoge Morsweg al stond aangegeven als bestemd voor woningbouw. Met die nota had het gemeentelijke inbrei-beleid van bouwen op open plekken gestalte gekregen. Mede in dat kader werd in het Bestemmingsplan Morskwartier 1996, dat de gemeenteraad na uitvoerige inspraak vaststelde op 22 april 1997, een woonbestemming gegeven aan een aantal tot dan toe bedrijfsmatige locaties. Daaronder de oude kwekerij van Van Egmond. In het Uitwerkingsplan Kwekerij 1999, dat eind 2000 definitief is vastgesteld, is rekening gehouden met een deel van de bezwaren van buurt- en wijkbewoners. Zij protesteerden tegen verdere verstening van de Mors. Zo is in het plan, dat vergezeld ging van een verkavelingsplan, het maximum aantal woningen op het gehele terrein (inclusief dat van Schulpen Schuim, ooit ook bezit van de familie Van Egmond) teruggebracht van 75 naar 48, terwijl in plaats van voortzetting van de (intussen al voltooide) strokenbouw aan de Rozenkwartsstraat en Kornalijnstraat nu een reeks in kluitjes geschakelde twee-onder-één-kapwoningen gerealiseerd zou worden. Deze zijn echter nog altijd dwars over de bollenschuur en tuinderswoning getekend. Einde verhaal?

Laten we eerst nog maar eens de bloembollencultuur in Oegstgeest en de lotgevallen van het familiebedrijf Van Egmond in het licht stellen, om onze argumentatie van het historische belang van de Hoge Morsweg 111 wat kracht bij te zetten.

Bloembollencultuur in Oegstgeest
In de loop van de 19e eeuw gaan steeds meer veetelers, akkerbouwers en tuinbouwers in de Duin- en Bollenstreek geheel of gedeeltelijk over op bloembollenteelt. Dat gold ook voor veel tuinders of warmoeziers in de tuin van Holland rond Leiden. Als oudste document over de bloembollencultuur in Oegstgeest, dat ook na de tweede annexatie door Leiden ruim een kwart van het huidig Leidse grondgebied besloeg, vonden we een brief van 21 januari 1866 aan de Heeren leden der gemeenteraad te Oegstgeest. Daarin deelde de Vereeniging voor Bloembollencultuur te Oegstgeest mee haar Derde Wintertentoonstelling te willen houden. Door meerdere toezegging van inzendingen die zij van Heeren Kweekers als van Heeren Tuinbazen ontvangen heeft, is het bij vroegere tentoonstellingen gebruikte [café?]lokaal niet meer geschikt. Zij verzoekt gebruik te mogen maken van het [!] schoollokaal. We kunnen hieruit concluderen dat er al rond 1860 sprake was van een opbloeiende bedrijfstak en ook dat men de kunst van het broeien al goed onder de knie had.

Er zijn nog meer brieven bewaard gebleven. Zo van een verzoek in september 1891 tot subsidieverlening van een tentoonstelling op donderdag 17 t/m zondag 20 maart 1892 in de zaal van koffijhuis Zomerlust te Oegstgeest [aan de huidige Stationsweg in Leiden!] van bol- en knolgewassen ter herinnering aan het tienjarig bestaan van de Afdeeling Oegstgeest en omstreken van de Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur. Deze landelijke onverzuilde vereniging was in 1860 opgericht en had wellicht de bestaande Oegstgeester kwekersvereniging overgenomen als afdeling, die officieel 20 maart 1882 werd opgericht. Op de achterzijde van het subsidieverzoek blijkt in potlood dat de Raadvergadering 25 gulden subsidie heeft verleend, met de kanttekening: gebruik van de Zondag voor B & W zooveel mogelijk beperken en alle festiviteit weren.

In oktober 1897 komt een dergelijke bedelbrief binnen, met het argument dat de bloembollenteelt een belangrijke tak van nijverheid in de gemeente vertegenwoordigt. Voor de maart van het volgende jaar te houden tentoonstelling wordt hetzelfde bedrag gespendeerd. Als dank komt onder meer een uitnodiging voor het bijwonen der bekroningen op 6 juli, heel toepasselijk in Zomerlust, gelegen aan de pas geannexeerde Stationsweg te Leiden.

En in 1910 stelt de Raad twee zilveren medailles ter beschikking voor de nationale jubileumtentoonstelling van de landelijke vereniging te Haarlem. De medaille draagt aan een zijde het wapen van de gemeente Oegstgeest.

Rond 1900 is Oegstgeest met 101 hectare bollengronden de achtste bollengemeente van Zuid-Holland, met bijna een twintigste van het provinciaal areaal. Het Weekblad voor Bloembollencultuur, orgaan van de Algemeene, bevat in de jaren twintig en dertig talloze berichten van de Oegstgeester afdeling, van tentoonstellingen in de Posthof tot kortingen bedongen voor vrachtvervoer per tram, jaarlijkse excursies en geleerde zowel als praktische discussies over nieuwe soorten. De circa 75 leden komen voor elk een derde uit Leiden, Oegstgeest en de wijde regio. De broers Willem en Teunis van Egmond van het bedrijf aan de Hoge Morsweg wisselen stuivertje als lid van het bestuur en de functies van voorzitter en penningmeester.

Familiebedrijf Van Egmond
Het oudste document over het terrein van de latere Kwekerij waarover we via het Kadaster beschikken, is een akte van 19 januari 1867. Hierin verkoopt Teunis van Egmond, ook wel genaamd Anthonie, warmoezier, wonende onder Soeterwoude, aan zijn zoon Anthonie Pieter van Egmond, landbouwer, woonende aan de Hooge Morschweg te Oegstgeest, een huis met stalling en aanhoorigheden, benevens ene partij tuin of teelland, vanouds genaamd De Roskam of Morschwijk, staande en gelegen [op?] Leiden en de gemeente Oegstgeest, aan de Hoogemorsch, even voorbij de paal van vijfhonderd roeden, het huis getekend met nummer 108 benevens een houtboschje. Van het object verklaarde de verkoper de eigendom te hebben gekregen voor een derde als met zijn beide zusters enige erfgenamen van zijn ouders Pieter van Egmond Barendszoon en Grietje of Margaretha Overgeest. Ook volgens deze verklaring zou Pieter Barendszoon het complex percelen op zijn beurt op 1 juni 1782 hebben gekregen van Barend van Egmond. In deze akte komen dus vier generaties Van Egmond ter sprake. Op het goed rustte een hypothecaire lening van 4.000 gulden, verstrekt door de Leidse particulier Hartevelt, in 1906, als de hypotheek nog niet is afgelost, aangeduid als wijnhandelaar.

In deze tijd moet het bloembollenbedrijf zijn intrede hebben gedaan. Want als Anthonie Pieter in februari 1906, een half jaar voor zijn overlijden, het woonhuis en daarbij een plantenkas met grond verkoopt aan zijn zoons Willem en Teunis, worden alle drie in de akte aangeduid als bloembollenkweker. Enkele maanden later komt de vergunning voor de nieuwe schuur. Voor de jongste broer, Teunis van Egmond te Oegstgeest, ontwerpt de ons intussen bekende J. van der Voet in 1908 tegenover de oude tuinderswoning een charmante villa in eclectische stijl met erker en warande. De aanvraag voor de bouwvergunning is overigens ondertekend door Gebr. Van Egmond. Voor Willem volgt pas in 1916 een bijna identieke villa ernaast. De eerste stenen gelegd door hun resp. dochters Elisabeth A. (Apolonia) en Elisabeth Eefje zijn nu wat uitgesleten. Het betreft hier de huidige nummers 100 en 102. Was er ook slijtage in de broederlijke samenwerking? In 1918 volgt wel een boedelscheiding, waarbij Teunis onder meer het huis met plantenkas en tuin toebedeeld krijgt.

Deze Teunis, de grootvader van de laatste eigenaar, eveneens een Teun, van de Kwekerij, is de eigenlijke held van ons verhaal. Hij werd in 1919 lid van de gemeenteraad van Oegstgeest en was vrijwel ononderbroken wethouder tot 1945. Toen in 1942 Oegstgeest een NSB-burgemeester werd opgedrongen, peperde loco-burgemeester Van Egmond hem bij zijn installatie in dat de nieuwe burgemeester niet alleen voor een kleine groep mocht werken. De gereformeerde Anti-Revolutionair sprak: Jezus Christus zal in Zijn dag U rekenschap vragen van het volbrengen van Uw taak. Tussen 1941 en 1947, toen hij de zaak aan zijn zoon overdroeg, voerde Teunis met zijn zoon Antonie Pieter de Vennootschap Onder Firma The Old Nurseries. Hoewel het gebruik van het Engels in de bollenwereld heel courant was, zou men hier zo middenin de oorlog ook een symbolische daad van verzet kunnen zien. In ieder geval memoreerde Teunis toen hem 31 december 1949 het ereburgerschap was toegekend, in zijn dankwoord dat hij blij was zijn plantenkwekerij tot grote bloei te hebben kunnen brengen, ondanks het voorzitterschap van een dertigtal verenigingen, zoals de bedrijfsvereniging met 9.000 leden, en zijn lidmaatschap van het scheidsgerecht voor de bloembollencultuur. De redactie van de Oegstgeester Courant voegde er in het verslag aan toe dat de voorvaderen van Van Egmond al in 1703 hetzelfde bedrijf uitoefenden op het terrein waar nu de begraafplaats Rhijnhof ligt. Toen Teunis van Egmond op dezelfde begraafplaats na zijn overlijden op 1 januari 1959 op 86-jarige leeftijd werd begraven, passeerden zijn vele functies nog eens de revue: onder meer voorzitter van de Vereniging van Vaste Plantenkwekers, van de A.R. Kiesvereniging, van de Christelijk Nationale School aan de Mors, de afdeling Oegstgeest van de Vereniging voor Bloembollencultuur, de Zondagschool aan de Mors, enz. Alweer de Oegstgeester Courant meldt dat deze eenvoudige burger aan de Mors ook wel de eretitel droeg van Burgemeester van de Mors.

Exit bollenschuur?
Bloemist Antonie Pieter zette het bedrijf nu volledig voort als vaste-plantenkwekerij. In 1980 verkocht hij het oud familie-erf aan zijn meewerkende zoon Teunis, eveneens bloemist. In de akte van levering wordt gesproken van een oud verwaarloosd woonhuisje met ondergrond en verdere aanhorigheden. De laatste Van Egmond die het kwekersbedrijf uitoefende, is weer geheel in de recente familietraditie tegenover het knollenland gaan wonen in een nieuwe bakstenen villa. Zal hij ooit de slopershamer op de oude bedrijfsgebouwen zien neerdalen? Het ziet ernaar uit dat de bollenschuur nog even door de gong wordt gered of, liever gezegd, door het geluid van de aanpalende BV Akerboom Scheepswerf & Reparatiebedrijf, dat zich aan beide zijden van de Hoge Morsweg bevindt. Dit bedrijf heeft historische rechten. Het heeft de geluidsoverlast conform de wet geluidhinder tot aanvaardbare proporties teruggebracht, maar ook de nieuwe geluidscontour belemmert vooralsnog de volledige bebouwing van de rest van het Kwekerijlocatie. De contour gaat zelfs dwars door de tuinderswoning van Hoge Morsweg 111 en door de oude schuur.

Voorlopig mogen we dus blij zijn met groei en bloei van de scheepswerf. Toch biedt dit niet definitief zekerheid. Prettiger zou zijn als op basis van voortschrijdend inzicht de gemeente de status van beschermd monument alsnog zou verlenen, wellicht ook voor het gehele ensemble met directiewoningen. Met de eigenaar-projectontwikkelaar zou overeengekomen kunnen worden dat op het achterste deel van het terrein alsnog enige huizen buiten de geluidscontour gebouwd kunnen worden. Naast een monument zijn die des te waardevoller. De schuur met woonhuis zou herbestemd kunnen worden als woon-werkruimte. Het Project Behoud en Herbestemming Bollenschuren beschikt over een elektronische vraag- en aanbodbank, waarvoor veel, ook koopkrachtige belangstelling bestaat. De nagedachtenis van de Burgemeester van de Mors verdient dit monument.

Gerard J. Telkamp

Met grote dank aan Carla de Glopper van het gemeente-archief Oegstgeest. Dank ook aan de eigenaar André van der Laan voor de bereidheid het bestuur van STIEL een kijkje te gunnen.

Dit artikel draag ik op aan mijn 80-jarige nicht Loek van Til te Hillegom, die haar leven lang in de bollen zat, en aan mijn grootvader Johan Hendrikus Telkamp en zeven generaties voor hem van de bloembollenboerderij en tuinderij Kweeklust aan de Noorderlaan te Hillegom.

© Stichting Industrieel Erfgoed Leiden