Logo Stiel
Industrieel Erfgoed in Leiden

STIEL

Van vrolijke blekersmeisjes

VAN VROLIJKE BLEKERMEISJES

Gaat het over arbeiders en gedichten, dan denkt menigeen onwillekeurig aan felle, socialistische strijdliederen. Daarin wordt de vuist geheven en het werkvolk tot revolutie aangezet. De treurige sociale aspecten van de industriële revolutie – oorzaak van veel politieke onrust – vinden we ook ruimschoots terug in, bijvoorbeeld, negentiende-eeuwse liederen uit Vlaanderen. Maar de teksten waren niet altijd zo strijdlustig of deprimerend, zeker niet als we eens een uitstapje maken naar het ambachts- of het arbeidslied, dat in feite nog vaak verbonden was met de voorgeschiedenis van de industrialisatie. De blekersmeisjes hadden de moed nog niet verloren...

Hebben de Nederlanders het industriële lied nog weinig onderzocht, de Vlamingen hebben het twintig jaar geleden al flink uitgespit. In 1985 organiseerde het Museum voor industriële archeologie en textiel te Gent een tentoonstelling, waar teksten en muziek van talloze volksliederen uit de negentiende en twintigste eeuw waren te horen en te zien. Erik Demoen, een van de organisatoren van de tentoonstelling, beschreef in de catalogus bij de tentoonstelling wat er in Vlaanderen in de negentiende eeuw verscheen aan teksten over stoommachines, industriële vooruitgang en zaken waarmee die gepaard ging: spoorwegen, wereldtentoonstellingen, kinderarbeid etc. De ellende waarin veel mensen leefden, zorgde voor een sociale strijd, die leidde tot de bloei van het politiek lied in de tweede helft van de negentiende eeuw. Demoen heeft deze liederen uitgebreid onderzocht: de makers, de zangers, het publiek, de melodieën, de teksten en hun thema’s. Waar gingen ze over? Over industrialisatie, over ongelukken en natuurlijk: over de ellende van het arbeidersproletariaat. De titels spreken voor zich: ‘De voordeelen van den yzeren weg’, ‘De electrieke tram’, ‘Vreeselijke spoorwegramp te Contich’, ‘Schrikkelijke mijnramp te Anderlues’, ‘Klagtlied van de katoenspinders’ en ‘Het bedelaarskind’. Het was het genre van volkszangers als August Van Damme en Jan Waeri.

Bekende melodieën
Demoen noemt bovendien de ambachtsliederen, zoals de spin- en weversliedjes. Hij benadrukt dat dit soort liedjes en andere arbeidsliederen niet altijd over de dagelijkse narigheden van het aardse bestaan gaan. Ze werden ook gezongen tijdens het werk, ter ontspanning en om het ritme in het werk te houden. De schrijvers zijn meestal onbekend. We komen ze tegen in achttiende- en negentiende-eeuwse bundels als De vrolijke schoorsteenveger. Zingende onder het vegen, de allernieuwste Liederen en Het vrolijke bleekersmeisje. Zingende vele zedelijke, vrolijke en aangename liederen.

Zulke boekjes beleefden druk na druk: de Leidse universiteitsbibliotheek bezit een zeventiende druk van Het vrolijke bleekersmeisje. Toen ik het boekje opensloeg, dacht ik nog even meer te weten te komen over de werkzaamheden van de blekersmeisjes op de blekerij, maar dat was een misvatting. Dat kon ik meteen zien aan de titels van de liedjes, zoals: ‘Mijn lieve Christiaan’, ‘Karel en Rosa’ (“Karel minde Rosa teeder”), ‘Aan de mooije Meisjes’ en ‘De ontrouwe Minnaar’. Alleen het allereerste gedicht gaat expliciet over een blekersmeisje:

Het Bleekersmeisje
Op een aangename wijs

1. Een meisje zedig en vol deugd,
Zat op het veld haar wasch te bleeken,
Een heertje in den bloei der jeugd
Kwam daar met haar een woordje spreken
Hij groette haar zij dankte hem,
Haar arm hartje zat in de klem,
Het meisje ach! verschrikte zeer,
Want ziet want ziet hij zet hij zet zich naast haar neer.
Want ziet hij zet zich naast haar neer.

2. Hij sprak: mijn kind verschrikt toch niet
Gij zijt zoo schoon zoo lief en aardig
En ik ben ook; gelijk gij ziet,
Niet leelijk maar beminnenswaardig;
Kom, geef een kusje mij terstond,
Al van uw lieven rozenmond,
Beschaamd sprak zij: ga heen mijnheer!
Ga heen ga heen en verg en verg mij zulks niet meer
Ga heen en verg mij zulks niet meer;

3. Kom met mij kind al naar, de stad
Daar zal ik geld en goed u geven
Daar zullen wij, o lieve schat!
Genoegelijk en vrolijk leven:
Armoedig leeft gij hier op ’t land, ’k Zal u verheffen tot een hoger stand.
Zij sprak: mijnheer! ik ben niet mal,
Die veel belooft doet niet met al.

4. Neen zegt hij: allerliefste meid!
Denk niet dat ik u zal misleiden,
’k Heb u mijn trouwe min gewijd,
’k Zal nooit een ander meisje vreijen
Uw schoonheid heeft mijn hart bekoord
En tot de liefde aangespoord,
’k Verlaat nu nooit, o schoone maagd
Die aan mijn jeugdig hart behaagt,

5. Mijnheer? zegd zij uw taal is goed,
Maar Minnaars zijn vol looze streeken
Zij nemen veel op hun gemoed,
De deugd schijnt van deez aard geweken,
Als ’t manvolk heeft hun brand gebluscht
En ’t meisje naar hun wil gekust;
Wanneer zij hebben hunnen zin.
Verflaauwt zoo spoedig hunne min.

6. De heer die sprak: mijn lieve meid
Mijn hart dat blijft aan u verbonden.
Ik zal mijn gansche levenstijd,
U minnen tot mijn laatste stonden:
Zoolang mijn bloed door de ad’ren vliet
Verlaat ik u mijn Liefje niet;
Gij zijt alleen mijn Zielsvriendin
Die ik getrouwelijk bemin,

7. Uw taal mijnheer, mijn hart bekoor
Maar gij een heer van groot vermogen,
Wie heeft er meer zoo’n streek gehoord
Slaat op een arme maagd zijn oogen.
Maar moglijk zoekt gij mij als hoer
Te houden bij u op den vloer.
Neen schoon ik onvermogend ben,
Een eerlijk hart dat woont er in,

8. Neen sprak de heer: mijn waarde lief
Ik zal u binnen weinig dagen,
Ter hand gaan stellen eenen brief,
Mijn trouwbelofte u op dragen;
Ik zal u door den echten trouw,
Gaan maken tot mijn waarde vrouw
Tot dat de dood mij haalt in ’t graf
En rukt van deze wereld af

9. Zoo ziet men dat geen geld of goed
Den mensch alleen kan vergenoegen.
Wanneer de liefde ons gemoed,
Doet aan een ander voorwerp voegen
Geen aardsche schatten zijn in staat,
Wanneer het hart van liefde slaat
Te blusschen eene minnevlam
Die uit een vonk zijn oorsprong nam.

De muziek bij de tekst ontbreekt helaas. Op eene aangename wijs kan van alles zijn. Bij andere liederen in de bundel staat soms iets meer vermeld: Wijs: Vrienden!, Wijs: Van den Scheveningschen Visscher of Wijs: Staat uw buurmans huis in brand. De liedjes werden gezongen op de wijs van bekende melodieën, zodat de schrijver meteen een model had en degenen die ze zongen, zich niet hoefden te verdiepen in nieuwe muziek. Nog een voordeel was dat drukker en uitgever ook geen ruimte kwijt waren aan notenschrift. Willen we, anno 2004, weten om welke muziek het ging, dan vergt dat veel speurwerk.

Ware liefde
Ondanks de titel heeft dit liedje weinig met bleken te maken. Het meisje, dat door de man wordt aangesproken, is op het veld, waar de was bleekt. Meer horen we niet over haar werk. Ze is ervan doordrongen, zo blijkt uit hun dialoog, dat het onverstandig is vrijpostige heren hun gang te laten gaan en wijst zijn avances af: ‘Minnaars zijn vol looze streeken.’ Maar hij houdt aan en belooft haar een onbezorgd bestaan, mèt zijn liefde. Het zijn, zo blijkt in de laatste strofen, geen lege woorden, want er komt een trouwbelofte aan te pas. Eind goed, al goed: het arme blekersmeisje vindt haar prins en de laatste strofe leert de lezers de moraal van het verhaal: rijkdom alleen is – voor de man – niet voldoende en ware liefde kan de kloof tussen arm en rijk overbruggen. De boodschap voor de meisjes was natuurlijk ook dat deugdzaam en standvastig gedrag in de liefde werd beloond, want zoals andere liedjes lieten zien: anders kon het knap verkeerd gaan. Het slot moet de meisjes aangenaam in de oren geklonken hebben; hun toekomst zag er natuurlijk zelden zo rooskleurig uit.

En in dit liedje komt inderdaad het dagelijks werk van de meisjes die deze liedjes zongen, niet ter sprake.

Broesgieter
Wat deden blekersmeisjes eigenlijk? De blekerijen beleefden in de zeventiende eeuw hun hoogtepunt in onze streken. Linnen en garens moesten namelijk, voor hun definitieve verwerking, worden gebleekt, omdat ze lang niet schoon uit de spinnerij kwamen. Dat gebeurde in grotere, beroepsblekerijen – die doorgaans op het platteland te vinden waren, zoals rond Haarlem en Leiden. Belangrijke voorwaarde was dat er voldoende schoon water in de omgeving was. Het ging om een langdurig procédé, waarvan sommige onderdelen ettelijke keren herhaald moesten worden. De garens werden eerst in loog (bereid uit soorten plantenas) gekookt, uitgespoeld met water, weer langdurig in loog geweekt, uitgewrongen en uitgelegd op de bleekvelden, waar het garen met water nat werd gehouden en ook steeds werd gekeerd. Zon en zuurstof zorgden ervoor dat de garens werden gebleekt. Daarna werd alles nog eens in verzuurde melk gelegd (blekerijen verbruikten duizenden liters melk!) en weer gespoeld. Dit spoel- en waswerk namen doorgaans de vrouwen voor hun rekening. Daarna werd het garen of het linnen nog behandeld met blauwsel en buiten te drogen gehangen. Het hele proces nam ongeveer drie maanden in beslag, tijdens een seizoen dat duurde van maart tot november. Het ging om zwaar werk dat op de garenblekerijen door mannen werd gedaan, terwijl op de linnenblekerijen vooral vrouwen werkten. In de negentiende eeuw verdwenen veel van deze blekerijen: de concurrentie uit het buitenland nam toe, de linnenhandel stagneerde, er kwamen nieuwe, chemische bleekmiddelen en de veldbleek verdween langzamerhand. De oude blekerijen gingen later ook wel over op het wassen van kleren.

Het meisje op de titelpagina van Het vrolijke bleekersmeisje, waar we wasgoed (en geen lappen stof of garens) zien liggen, werkte wellicht bij een kleerwasserij, waar vuilgeworden kleding werd gewassen en gebleekt. Zij begiet het wasgoed op de bleek met een broesgieter, om het nat te houden. Op de achtergrond ligt de blekerij, lijkt het. In zo’n wasserij duurde het hele bleek- en wasproces veel korter dan in de blekerijen voor garen en linnen, maar nog steeds ging het om een indrukwekkende rij bezigheden: het verwarmen van het water, weken en stampen van het wasgoed, laten uitlekken, koken, uitleggen op de velden, spoelen, blauwen, stijven, laten drogen, mangelen, strijken enzovoort. In een tijd zonder wasmachines en droogtrommels was het fysiek zwaar werk, dat een karig loon opleverde. Maar daar ging het lied van de blekersmeisjes niet over. Juist niet.

Korrie Korevaart

© Stichting Industrieel Erfgoed Leiden