Logo Stiel
Industrieel Erfgoed in Leiden

STIEL

Fabrieksschoorsteen als cultuurgoed

FABRIEKSSCHOORSTEEN ALS CULTUURGOED

De fabrieksschoorsteen verdient erkenning en - in een aantal gevallen - bescherming als cultuurhistorisch waardevol object. Tot die conclusie leidt het in opdracht van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg uitgevoerde onderzoek naar fabrieksschoorstenen in ons land. De studie is uitgevoerd door de Stichting Fabrieksschoorstenen (STIF), die zich sinds 1997 om het lot van deze schoorstenen bekommert. Er zijn in de loop der jaren zo’n tienduizend fabrieksschoorstenen in ons land gebouwd, nu zijn er nog ongeveer zeshonderdenvijftig.

De Stichting heeft zich sinds haar oprichting ontwikkeld tot een kenniscentrum op het gebied van fabrieksschoorstenen, waarbij zowel overheidsinstanties als monumentenorganisaties en particulieren te rade gaan. In de afgelopen jaren heeft de stichting een grondige landelijk onderzoek uitgevoerd naar de bouw van fabrieksschoorstenen en de cultuurhistorische context van dit fenomeen. Een belangrijk inzicht leverden in eerste aanleg de archieven van de twee grote Nederlandse schoorsteenbouwers, Canoy - Herfkens in Tegelen en De Ridder & Co. in Den Haag, op. De twee bedrijven hebben zelf het merendeel van de fabrieksschoorstenen in ons land gebouwd. Daarnaast is omvangrijk veldonderzoek gedaan en zijn de gangbare selectiecriteria van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg bij het Monumenten Selectie Project en de wederopbouw architectuur tegen het licht gehouden. Na afstemming op de eigen categorie kwam een aantal selectiecriteria tot stand: de cultuurhistorische waarde ( de fabrieksschoorsteen als vertegenwoordiger en beeldmerk van de periode van industrialisatie en industriële samenleving tot rond 1970). architectuurhistorische waarden (hoogte, omvang, bijzondere vormgeving), relatie tot de directe omgeving (de fabriek), gaafheid en zeldzaamheid.

Met behulp van deze criteria heeft de stichting een lijst van 130 fabrieksschoorstenen samengesteld, die volgens haar rijksbescherming moeten krijgen. In een aantal gevallen is overigens reeds het stempel van ‘rijksmonument’ of ‘gemeentelijk monument’ aangebracht. Verder is een B-lijst van honderd schoorstenen samengesteld. Het gaat om schoorstenen, die alleszins de moeite waard zijn, maar dan vooral op lokaal niveau.

De oudste schoorstenen, bedoeld voor de afvoer van verbrandingsgassen, stonden bij bedrijven met een productieproces, waaraan veel vuur of warmte te pas kwam. Steenbakkerijen bij voorbeeld, of ijzergieterijen en glasfabrieken. Deze bedrijven gebruikten al schoorstenen voor de komst van de stoommachine. Deze schoorstenen waren meestal vierkant en werden samen met het gebouw tot stand gebracht door de aannemer van het werk. Na de introductie van de stoommachine werden evenwel hogere eisen gesteld aan de bedrijfsschoorstenen. De vierkante schoorstenen behoren tot de periode 1775-1820. Daarna kwamen er overgangsvormen, zoals fabrieksschoorstenen met vierkante sokkels en ronde schachten.

Radiaalsteen
De vroegste schoorstenen werden van gewone stenen gebouwd. In de laatste decennia van de negentiende eeuw kwam in ons land de radiaalsteen in gebruik, een steen in de vorm van een taartpunt, die zeer geschikt was om ronde schoorstenen te bouwen. In de periode 1850-1890 waren het vooral Belgen en Duitsers, die in ons land de grote ronde schoorstenen tot stand brachten. Na 1880 verschenen twee Nederlandse bedrijven op deze markt: de firma Canoy- Herfkens in Tegelen (Venlo) en de firma De Ridder in Den Haag. Vooral door de komst van de radiaalsteen en de ronde schoorstenen nam de aandacht voor de vormgeving van de kop van de schoorsteen toe. Een fraaier uiterlijk kregen de schoorstenen vaak door het gebruik van gekleurde stenen als ornament of letters. Na de Tweede Wereldoorlog was er een korte opleving in de bouw van fabrieksschoorstenen door vervanging van de in de oorlog verwoeste exemplaren. Na 1970 werden bijna geen nieuwe schoorstenen in baksteen meer gebouwd.

Sindsdien bouwt men zeer hoge schoorstenen van beton en van metaal. Die zijn echter buiten het onderzoek gelaten. Buiten beschouwing gebleven zijn ook herbouwde schoorstenen als onderdeel van historische complexen, zoals de schoorsteen van gemaal De Tuut in Appeltern en de schoorsteen van de zuivelfabriek Freija in Veenwouden (in zijn geheel herbouwd in het Openluchtmuseum Arnhem).

Tot de basisselectie, die de stichting heeft samengesteld, behoren ook enkele Leidse schoorstenen, die van bakkerij Tijsterman aan de Haarlemmerstraat, de van 1951 daterende pijp van het Leidse elektriciteitsbedrijf (grote hoogte, bijzondere vorm) en de drie schoorstenen van de bouwkleiwarenfabriek Ginjaar in Leiderdorp. De bijzonderheid van deze laatste schoorstenen: zij vormen een (klein) industrielandschap en dat zie je niet meer zoveel in ons land.

Belangrijk is natuurlijk vooral de relatie met de fabriek, de ensemblewaarde. Zo speelt deze factor een belangrijke rol bij bekende complexen als de Erdalfabriek in Amersfoort, de Enkafabriek in Ede, de Philipsfabriek in Eindhoven, de textielfabriek Jannink in Enschede, de aardappelmeelfabriek De Baanbreker in Lutten en de elektriciteitscentrale ECI in Roermond.

Bijzondere groep
Een heel bijzondere groep wordt gevormd door de fabriekscomplexen, waar verscheidene schoorstenen op het terrein staan. Die zorgden ook voor het kenmerkende beeld van de industriële samenleving: rokende schoorstenen op een rij, vaak gecompleteerd door zaagtand-daken. Dit was het beeld van de vooruitgang, van de welvaart. Zulke fabriekscomplexen zijn zeldzaam geworden. Vaak zijn de schoorstenen niet eens bijzonder, maar de stichting heeft er niettemin voor gekozen deze complexen op te nemen in de A-lijst. Als meest markante voorbeeld wordt in het rapport de Purit-fabriek in Klazienaveen genoemd. Een andere, in het rapport gekoesterde categorie: die van de tweeling-schoorstenen, twee identieke schoorstenen naast elkaar. We vinden ze vooral in de tuinbouw en de ziekenhuissector. Een hele aparte categorie wordt gevormd door pijpen, die een integraal onderdeel vormen van een groter architectonisch geheel, zoals de schoorstenen van het Haags Gemeentemuseum, van de Beurs van Berlage (beide van de architect H.P.Berlage) en van het voormalig badhuis in Hilversum (W.M.Dudok).

Op de B-lijst met in totaal zo’n honderd objecten staat ook de schoorsteen van ‘De Arend’ aan de Herensingel in Leiden en de pijp van een bakker aan de Hoofdstraat in Leiderdorp.

Eens was de fabrieksschoorsteen het symbool van onze industriële samenleving, maar vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw kwam er de klad in: de fabrieksschoorsteen werd vooral gezien als milieuvervuiler. In deze dagen is er sprake van een herwaardering van de fabrieksschoorsteen als cultuurhistorisch object, waarmee zorgvuldig moet worden omgegaan.

Wibo Burgers

(A.J.Barnard en drs.J.J. Havelaar, Fabrieksschoorstenen in Nederland, een dwarsblik van monumenten van bedrijvigheid, Stichting Fabrieksschoorstenen (STIF), Den Haag, 2005).

© Stichting Industrieel Erfgoed Leiden